|
Het WTG noemt zich Getuigen van Jehovah en daarom zijn zij - zo menen zij - de vervulling van de volgende tekst uit Romenein 15:14. Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam. Alleen gebruiken de Jehovah's Getuigen hier de in veel vertalingen gebruikte vertaling "een volk voor zijn naam". Bijbelstudie toont echter aan dat in dit geval de statenvertalers goed begrepen hadden dat het hier vertaald moest worden met een volk door zijn Naam. Door de Naam van Christus zou er een volk uit de heidenen verzameld worden. Dat is goed te volgen want het is Christus die als de ene Heer Zijn Gemeente bouwt. Als we het bovenstaande even laten liggen dan komen we bij de vraag die het WTG ook oproept: Welke Naam moeten wij in deze tijd aanroepen? De Jehovah's Getuigen stellen dat zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament met die Naam Jehovah wordt bedoeld. Maar is dat werkelijk zo? Welke Naam moeten wij in deze tijd aanroepen, zegt de Bijbel? Jesaja profeteerde over Israël en verkondigde dus Gods woord aan de Israëlieten en aan geen ander volk. Dit in tegenstelling tot bijv. Paulus die het was toevertrouwd het woord te brengen aan een ieder over de gehele aarde. Titus 1:3 [Namelijk] Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, [mijn] oprechten zoon, naar het gemeen geloof: Paulus werd persoonlijk door Jezus Christus aangesteld, zoals Hand. 9 zegt: 5 En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. 6 En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere [zeide] tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal [aldaar] gezegd worden, wat gij doen moet. 15 Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels. 16 Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
20 En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon
van God is. 21 En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden:
Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen,
die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot
de overpriesters? Paulus was aangesteld om het Evangelie van Christus aan ieder mens te brengen. Die Naam heeft hij gedragen en wereldwijd verkondigd aan Israëlieten en niet-Israëlieten. Paulus predikte terstond dat Jezus de Zoon van God is. In de Bijbel betekent Zoon overigens niet anders dan Erfgenaam en Vader betekent Erflater. Enkele teksten van Paulus over zijn prediking. Romeinen
1:16
Romeinen 2:9 Romeinen
2:10 Romeinen
10:12 Galaten
3:28 Collossenzen
3:11 Jesaja 43 Overal waar dus de HEERE spreekt wordt op dat moment Jehovah bedoeld als "Man" of de ene partij in het verbond met Isaël dat "de vrouw" wordt genoemd. Alles wat er gezegd wordt, slaat dus op Israël. 1
Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o
Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen,
gij zijt Mijn. De profetieën die Jehovah, door de mond van zijn profeten, aan Israël uitspreekt (in dit geval Jesaja), spreken altijd over een oordeel voor Zijn volk Israël maar ook over een herstel en een uitvoering van de allereerste belofte aan Abraham, Isaäk en Jakob. Als God iets aan zijn uitverkorenen beloofd, zal hij dat altijd uitvoeren!! Op zijn tijd, waarmee ik wil zeggen dat het niet belangrijk is dat mensen denken dat zijn beloftes aan Israël niet vervuld zijn en zomaar overgegaan zijn op niet-Israëlieten. 21: "Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen." Dit moet dus nog gebeuren door het letterlijke Israël. Dat volk moet Gods lof nog gaan vertellen! Dan zal in het volgende ook in vervulling gaan. 25 Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet. Jehovah heeft Israël lang geleden uitverkoren en dat heeft Hij nooit ongedaan gemaakt. 10 Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, [dat] voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal. De diverse profetieën spreken er wel over dat Hij Zijn volk voor een bepaalde tijd ter zijde zou stellen. O.a.: Hosea spreekt er over dat Israël eenmaal niet Gods volk (Lo-Ammi) zou zijn en daarna weer wel (Ammi). Hosea
1:9 Hosea
2:1 (1:12) Hosea
2:23 (2:22) Het is dus Israël dat tegen Jehovah zal zeggen "O, mijn God" en Jehovah zal tegen op dat moment "niet mijn volk" (Lo-Ammi) zeggen: "Gij zijt Mijn volk" en vervolgens zal Hij zich weer (opnieuw) over Zijn volk ontfermen. Het hoeft denk ik geen betoog dat dit nog moet gebeuren. Ook andere profetie‘n wijzen daarop (bijv. Ezechiël 37-39) De toekomst voor het gehele volk Israël, dat nu nog over de hele wereld verspreid is, staat echter in de Bijbel; het zal dus gebeuren, ook al geloven mensen dat niet. Handelingen 15 Met in gedachten de belofte voor Israël en dat Paulus door Christus persoonlijk werd aangesteld om Zijn Evangelie te verkondigen aan Israël in verstrooiing en aan de "heidenen", kunnen we nu gaan lezen wat Handelingen zegt. We zullen ons in dit geval beperken tot een deel van het hoofdstuk dat handelt over Paulus bezoek aan Jeruzalem. Hand.15:8-18: Jakobus neemt dus het woord en zegt dat Simeon verteld heeft dat God eerst de "heidenen" bezocht heeft om uit hen een volk aan te nemen voor zijn naam. Daarna zou God zich weer richten op de "tabernakel van David". Hij verwijst naar de profeten uit het Oude Testament. Het stemt o.a. overeen met de profetie van Amos 9. In vers 9:11,12 staat als vervolg op de tijd van oordeel over Juda: 11
Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik
zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten,
en zal ze bouwen, als [in] de dagen van ouds; Naar wie verwijst Jakobus als hij het over Simeon heeft? Hij verwijst daar naar de Simeon uit Lukas 2:30-33, die na de geboorte van Jezus het volgende zei: Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel. En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd. De clou van deze geschiedenis zit er in dat Simeon de volgorde inzake het heil voor de heidenen en Israël door elkaar haalt in de ogen van zijn toehoorders. Jozef en Jezus moeder verwonderden zich daarover, zo staat er. Bij Jezus' geboorte verwachtte iedereen namelijk dat eerst Israël door God verlost zou worden en dan pas de heidenen. In dit verband haalt Jakobus daarom de woorden van Simeon aan en bevestigt dat God eerst een volk voor Gods Naam uit de heidenen zou nemen en dan weer verder zou gaan met wat de profeten over Israël geprofeteerd hadden. Dit klopt helemaal met de rest van de Bijbel en met wat wij in de periode sinds Jezus' dood en opstanding, hebben gezien. Verborgenheid In de dagen van Simeon had men nog geen weet van de grote verborgenheid die in Gods Heilsplan was "neergeschreven". Als het goed is hebben wij dat wel want het was vooral aan Paulus gegeven die verborgenheid aan het licht te brengen. Dat kon en moest toen omdat God Israël als volk, voor een bepaalde tijd terzijde had geschoven. Paulus en anderen hebben het regelmatig over die verborgenheid. De volgende teksten gaan daarover: Romeinen
11:25 Romeinen
16:25 1
Corinthiërs 2:7 1
Corinthiërs 15:51 Efeze
1:9 Efeze
3:3,4 Efeze
3:9 Efeze
5:32 Efeze
6:19 Collossenzen
1:26,27 Collossenzen
2:2 Collossenzen
4:3 2
Thessalonicenzen 2:7 1
Titus 3:9 1
Titus 3:16 Het begrip naam Er blijft nog één begrip over om te bespreken. Dat is het begrip Zijn Naam. Onlangs zag ik op een foto bij een artikel over Jehovah's Getuigen een Bijbeltekst die in 1998 in elke Koninkrijkszaal hangt. Het is Romeinen 10:13 volgens de nieuwe wereldvertaling staat daar: Een ieder die de naam van Jehovah aanroept zal gered worden. In de Statenvertaling staat die tekst er zo: Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. In alle andere vertalingen staat nooit Jehovah op de plaats van "Naam des Heeren". Dat Jehovah's getuigen dit wel doen, heeft te maken met hun onbegrip over God. Het kan absoluut niet dat op deze plaats Jehovah geschreven wordt, waarin de grondtekst "Naam des Heeren" staat. Het antwoord staat eigenlijk al één vers er voor: 12 Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Want Eenzelfde is Heere over allen, Jood en Griek, die Hem aanroepen. Met die Hem wordt Christus bedoeld want Die is het gegeven Heere en God over allen die geloven te zijn. In het geval van Jesaja was het Jehovah die Heere was over Zijn volk Israël en niet over allen. Filippenzen 3:8-10 zegt dezelfde Paulus wie zijn (en dus ook mijn) Heere is:
8 Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid
der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen
schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge
gewinnen. 17 Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. 20 Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, [namelijk] den Heere Jezus Christus; In hoofdstuk 2 legde Paulus nogmaals uit hoe het met de Godheid zit. 5
Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; God heeft de Naam Christus boven alle naam verheven. Daarom: "Alle tong moet belijden dat Jezus Christus de Heere zij," zegt Paulus. Dat betekent dat iedereen moet uitspreken dat Jezus van Nazareth na zijn dood en opstanding tot Christus en Heere (God) werd aangesteld. De Naam Jehovah maakte a.h.w. plaats voor de Naam Jezus Christus, zegt Paulus. Uiteraard is hierover nog veel meer te vertellen. Wie dit wil, is vrij om dat te vragen. Het probleem waarom de Jehovah's Getuigen Christus niet als God erkennen, voor wie iedereen zich moet buigen, zit hem ondermeer in het begrip "naam". Jehovah's Getuigen komen helaas niet verder dan de smalste betekenis van het begrip naam: hoe iemand genoemd wordt! Maar elk woordenboek geeft al aan dat er ook andere betekenissen van het woord "naam" zijn. Kijk het maar na Kramers Nieuw Woordenboek zegt o.a.: 2) bekendheid, faam, bijv.: een goede of kwade naam hebben; bekend staan. Hoe iemand bekend staat, welke identiteit hij heeft, het hele verhaal eromheen, is derhalve weergegeven in het begrip "naam". Als er wordt gezegd: "hij heeft z'n naam gevestigd", gaat dat altijd over het hele verhaal wat achter dat ene woordje zit. Bij de "Naam des Heren" is dat niet anders. Het is het hele wezen van God zelf dat daarachter zit. In het Oude Testament was werd maakte God zich bekend als Jehovah. In het Nieuwe Testament als de Here Jezus Christus. Voor de Jehovah's Getuigen is dat misschien moeilijk te begrijpen om dat het er uit alle macht in getimmerd is dat Jezus Christus niet God is. Een eerlijk Bijbelonderzoek omtrent dit punt zal echter anders uitwijzen. Ik nodig een ieder uit om dat te doen. Er is genoeg materiaal over beschikbaar. Nu wil ik mij beperken tot de woorden die de Apostel Petrus, die ook door Christus persoonlijk werd aangesteld, in zijn tweede brief zegt (2 Petrus 1:1): (Vergelijk deze tekst eens met de NWT en let op hoe geprobeerd wordt deze waarheid weg te moffelen.) Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaargeloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus; Petrus erkende net zoals de apostelen dat "onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus" is. U ook? Ik wel en ik dank de Heere dat ik de volgende woorden (ook van Petrus) uit Handelingen 4:8 en 12 heb mogen verstaan. 8
Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: ..................
Het volk voor Gods Naam dat God in deze tijd verzamelt, zijn dus degenen die de Naam Here Jezus Christus aanroepen. Dat volk voor zijn naam is Christus' Gemeente, Zijn Heerlijkheid en Zijn Lichaam. Het zijn degenen die één zijn gemaakt met de Eerste van de Nieuwe Schepping. Na die periode volgen Israël en de volken. (Collossenzen 3:11 .......... maar Christus is alles en in allen.) Na deze "bedeling van de verborgenheid" verzamelt God zich weer een volk voor Zijn Naam. Hij richt zich dan weer op Israël die Hem als vrouw ontrouw was en die Zijn Zoon (Erfgenaam) verwierp. In opperste benauwdheid zullen zij Jehovah aanroepen als hun God. Zacharia profeteerde lang geleden al wat er dan zou gebeuren. Hij schreef de volgende woorden op die Jehovah uitsprak in Zacharia 12:10: Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als [met] de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. Ook voor Israël zal dan blijken dat de Naam Jehovah plaatsgemaakt heeft voor de Naam de Here Jezus Christus. Ook voor Israël zal dan blijken dat de Naam Jehovah plaatsgemaakt heeft voor de Naam de Here Jezus Christus. Vlichthus, Oss, 1998 |
|